We fietsten. Die fietszoektocht van een kilometer of twintig naderde zijn einde, we gleden bergaf het dal in en zoefden voorbij een mens in een elektrische rolstoel die bergop aan het tuffen was. We fietsten en gleden bergaf, tot ik plots zwaar in de remmen ging.
'Een portefeuille!', zei ik bijna triomfantelijk, terwijl Driesterje vroeg 'jouw portefeuille?' Het scheelde niet veel of ik zei grijnzend 'nu wel, ja', maar toen nam het engeltje op mijn andere schouder het weer over. Even voordien had ik trouwens nog het kruisteken gemaakt in de kerk van Westrozebeke, alwaar ik zocht naar een gsm-mast. En alwaar ook een boekje lag, nabij een tafel vol nog te ontsteken kaarsjes. 'God, help mij dat de slechte vriendinnen wegblijven', stond erin gekrabbeld, en ook 'God, maak dat mijn zoon erdoor is voor zijn examens of dat hij er toch niet te veel moet herdoen.' En 'God, dat mijn kinderen weer dichter mogen komen wonen en dat ik een nieuwe vriend mag vinden'. En 'dat ik financieel niet in de problemen raak', dat ook. Benieuwd hoeveel die laatste betaald heeft voor haar kaarske. In elk geval, schrijnende verhalen des mensen, allemaal gebundeld in één notitieboekje in de kerk.
Die devotie hing om één of andere reden blijkbaar nog in mijn kleren, want braafjes stopte ik het nog net niet wegwaaiende pasfotootje ook weer proper in de lederen portefeuille.
'Die man woont in Staden, blijkbaar', zei ik, daar staande in Westrozebeke, een deelgemeente ervan. 'Misschien was het wel die rolstoelpatiënt van daarnet', opperde ik, maar Driesterje wuifde dat weg. 'Alsof die zo'n eind met zijn karreke gaat beginnen rondrijden.' Hmm, zat misschien iets in.
NAFTE, HAHA.
We fietsten verder, ik intussen met in elke achterzak een portefeuille. Werkten onze zoektocht af, goten onszelf vol fris water toen we thuiskwamen, fatsoeneerden onze verwaaide kop wat, en besloten zelf richting Staden te rijden.
'Er zit een briefje van vijf, eentje van twintig en eentje van vijftig in', zei ik. 'Ik ben eens benieuwd hoe tevreden hij zal zijn met onze eerlijkheid.' 'Misschien beticht hij ons wel van diefstal', dacht Driesterje. 'Dan gooi ik zijn portefeuille in zijn gezicht', maakte ik me sterk, 'of ik gooi hem over de afsluiting van de dichtstbijgelegen weide terwijl hij er zit op te kijken, verdorie'. Zo ben ik dan ook wel weer, ja.
'Misschien ziet hij in mij wel zijn kleinzoon die hij in geen vijftien jaren meer heeft gezien', begon mijn hart al over te lopen. 'En zegt hij dat hij al mijn nieuwjaren heeft bijgehouden. En dan zeg ik dat ik de komende twintig jaren ook niet meer zal kunnen binnenspringen, dus dat hij het er mag bijstoppen. Of misschien hééft hij nog niemand om zijn testament aan toe te vertrouwen.'
We moeten daar eerlijk in zijn: ik raakte stilaan verlekkerd in de vooruitzichten, al drukte ik - zoals dat dan hoort in individuele psychologie - de te hooggespannen verwachtingen spontaan de kop in. 'Voor hetzelfde geld krijgen we helemaal niks'. Nou, die woordspeling voeg ik er nu pas aan toe hoor.
Dorpsstraat hadden we nodig, en het leek me logisch dat dat pal in het centrum van Staden zou zijn. Maar we reden en reden - intussen met de auto - alle centrumstraten door, moesten zelfs nog een omleiding maken vanwege de kermis en besloten uiteindelijk toch maar eens de gps boven te halen. Die loodste ons opnieuw de straat in waaruit we gekomen waren en gaf aan dat we nog een aantal kilometers voor de boeg hadden.
Om te eindigen in bloody Westrozebeke, het dorp waar we dus, weliswaar langs een landweggetje, de portefeuille hadden gevonden. En alsof dat nog niet erg genoeg was: voor een bloody _rusthuis_. (Sorry Brutin voor het tijdelijke gebruik van uw liggende streepjes, maar hier heb je ze al terug: _ _)
Natuurlijk geen karrenman te bespeuren - hij heette trouwens Adolf. Amper beschikbare verpleegsters zelfs, wel angstaanjagend en bedroevend kleine kamertjes met bejaarden die naar de koers kijken. Allemaal. Elk in hun eigen zetel, in hun eigen kamer, voor hun eigen tv. Naar de koers aan het kijken. Behalve Adolf dus duidelijk, die was zelf nog zijn ronde aan het racen.
Wij dan maar de eerste de beste verpleegster aangeklampt, de portefeuille overhandigd en rechtsomkeer gemaakt. Zonder testament, zelfs zonder vijf armetierige eurootjes.
Komen we honderd meter verder gereden, en zien we een man in een karreke. ADOLF! En ja, hij was het, knikte hij, en hij was al op zoek gegaan naar zijn portefeuille. En of we die nog bij ons hadden? Nope, ligt al in het rusthuis, vertelden we, en dat vond hij spijtig, want anders had hij ons iets kunnen toeschuiven. 'Ach, man, toch allemaal niet nodig', wuifde ik bijzonder overtuigend zijn opmerking weg. Dat we het daarvoor niet deden en al. Zijn gemoed schoot vol, zag ik, en hadden we daar nog vijf minuten gestaan, dan had ik een bodempje kunnen ontwaren achter zijn superdikke brillenglazen.
Maar we moesten verder, andere heldendaden gaan verrichten. En ergens wist ik dat we die avond nog het imago van de jeugd serieus zouden bijgespijkerd hebben, daar aan de avondmaaltijd in het rusthuis. Tegen dan was de koers immers toch al gedaan.